Unraveled Mysteries: Yde Girl and our knowledge from 2,000 years Ago (NL)

This article was written for the course History and Philosophy of Science 2024.

Ontrafelde Mysteries: Het Meisje van Yde en onze kennis over 2000 jaar terug

By Elizabeth van der Zeijden-Los

Introductie

In mijn ouderlijk huis stond ik als klein meisje voor de boekenkast. Het boek met op de rug ‘Dood meisje en andere verhalen – Piet Los’ wekte toen al mijn aandacht: een boek geschreven door mijn opa. Maar waarom zou hij verhalen over een dood meisje schrijven? Het intrigeerde mij. Later begreep ik dat het om het meisje van Yde ging, waarvan hij de gezichtsreconstructie (afb. 1) in het Drents museum in Assen heeft gezien. Het mysterie van dat meisje en haar onbekende verhaal hebben hem als psychiater aan het denken gezet. Zo vormden zich allerlei verhalen en vergelijkingen met het heden, welke later zijn gebundeld (Los, 1996). Het geeft een eerste beeld van de verwondering die bij veel mensen bestaat over deze historische vondst.

Afbeelding 1. Gezichtsreconstructie Meisje van Yde, (Neave & Wright, 1994) – Collectie Drents Museum

Het meisje van Yde, wie of wat was zij? Het is de naam die het lichaam van een meisje dat werd gevonden tussen de Drentse dorpjes Vries en Yde, uiteindelijk kreeg. Het gaat om een meisje van ruim 2000 jaar geleden, dat is vermoord en in het moeras gegooid. In 1897 werd haar lichaam opgebaggerd door twee turfbaggeraars en is ze wereldwijd bekend geraakt. Het publiek was nieuwsgierig: wat was haar verhaal? In de loop van de afgelopen eeuw is dit geheim langzaam ontrafeld, al weten we nog lang niet alles. Voor de wetenschap is zij, samen met andere veenlijken uit Drenthe en andere plekken in Europa, een deur naar de wereld van 2000 jaar geleden.

In dit essay neem ik je mee op de zoektocht langs allerlei vragen over het meisje van Yde en andere veenlijken, over hun vondst, het onderzoek en de tijd waarin ze leefden. Zo schets ik een beeld van de waarde die het Meisje van Yde en andere Drentse veenlijken hebben voor het vergaren van kennis over de wereld van 20 eeuwen terug.

Wie of wat is het Meisje van Yde?

Eén van de meest bekende veenlijken in Nederland is het Meisje van Yde. Haar lichaam wordt op woensdag 12 mei 1897 gevonden in een veen nabij het gehucht Yde (afb.2). Twee turfstekers, Hendrik Barkhof en Willem Emmens (van der Sanden, 1994) zijn aan het werk voor boer L. Popken uit Yde, als zij met hun baggerbeugels een lijk naar boven halen (Provinciale Drentsche en Asser Courant, 1897). Ze zijn doodsbang omdat ze denken met de duivel te maken te hebben en rennen naar huis (Joosting, 1902). Het verhaal verspreidt zich als een vuurtje en komt al gauw in verschillende kranten te staan. De mannen zijn teruggegaan om het lijk te verstoppen onder een stapel heideplaggen op hun grondgebied1, want zo werd
het op 21 mei, 9 dagen later, gevonden door de burgemeester van Vries, en tevens hoofd van de politie, Hendrik Aalfs (1861-1945).

Afbeelding 2. Plek van de vindplaats van het Meisje van Yde in het Stijfveen vlak onder Yde (‘Ide’) in de bocht van de Runsloot, aangegeven met een rode cirkel. Het gebied op de kaart is verkend in 1899 ongeveer 2 jaar na de vondst, en uitgegeven in 1917 (kaart van Groninger Archieven, 1917).

Waarom hij pas zo laat polshoogte ging nemen is onbekend, mogelijk is er al eerder iemand van de politie wezen kijken. In de tegenwoordigheid van Aalfs worden nog enkele delen van het lichaam en stukken van een wollen mantel opgehaald (Joosting, 1902). Aalfs bestudeert het lijk, hij vermoedt dat het er al erg oud is, ook omdat er in zijn omgeving geen ouderen zijn die zich een vermist meisje kunnen herinneren. Daarom stuurt hij de volgende dag zijn bevindingen in een brief naar Jan Joosting (1866-1944)2 van het Drents Museum. Joosting komt persoonlijk langs om het lijk te bekijken op de vermeende vindplaats3. Daar aangekomen worden verschillende voorwerpen vermist, zoals bijna alle tanden en een kniebeen, en ook is het haar losgerukt van het hoofd. Waarschijnlijk hebben dorpelingen van Yde hun nieuwsgierigheid niet kunnen bedwingen en hebben zij het meisje toegetakeld en verschillende onderdelen als ‘souvenir’ meegenomen. De meeste dorpelingen waren maar gewone arbeiders, zonder kennis van archeologisch onderzoek, waardoor ze weinig besef zullen hebben gehad van de waarde van deze oude vondst.

Afbeelding 3. Het veenlijk van het Meisje van Yde, tentoongesteld in een vitrine in het Drentse Museum voor Oudheden (Drents Museum – collectie glasnegatieven [link]).

Samen met Aalfs stopt Joosting alle onderdelen in een kistje en neemt dat mee naar het burgemeestershuis. Vandaar wordt het verzonden naar het Drents museum in Assen, waar hij het lijk laat opdrogen, verder onderzoek doet en het daarna in een vitrinekast legt (afb 3). Ook schrijft hij rond 1902, een aantal jaren later, een verslag van het verloop van de hele gebeurtenis zoals dat aan hem is vertelt en geschreven,
waardoor wij over de toedracht van de vondst kunnen lezen4 (Joosting, 1902).

Hoe is het Meisje van Yde zo goed bewaard gebleven?

Nu weten we hoe het Meisje van Yde is gevonden, maar hoe kan het dat haar lichaam er nog was, als ze al heel lang geleden is overleden? Hiervoor is het interessant om wat breder te kijken, want behalve het Meisje van Yde zijn er in Drenthe en ook op andere plekken in Europa nog meer veenlijken gevonden (van Beek et al., 2023). De meeste vondsten komen uit de IJzertijd en de Romeinse tijd, maar ook vanuit andere perioden worden er lichamen gevonden (van Beek et al.,
2023). Ze worden ‘veenlijken’ genoemd omdat ze, de naam zegt het al, in het veen gevonden zijn. Rond de zestiende eeuw begon men in Noord-Nederland al met turfwinning en zeker in de negentiende eeuw werd er veel turf gestoken en verhandeld als brandstof (van Beek et al., 2015). Daardoor werden bijna alle veenlijken gevonden door turfarbeiders.

Uit de brief van Aalfs5 en uit krantenberichten6 blijkt dat men rond 1900 al wel wist dat objecten in het veen langer bewaard blijven, waarschijnlijk door eerdere vondsten, al hadden ze nog geen goed beeld waarom. Nu weten we dat hoogveen7 ontstaat als plantenresten in moeras terecht komen maar daar niet vergaan omdat er geen zuurstof bij komt. Door nieuwe plantlagen die over elkaar heen groeien ontstaat een veenpakket. Bepaalde mossoorten zorgen er tegelijkertijd voor dat het veen heel zuur wordt, waardoor natuurlijke materialen niet vergaan maar goed geconserveerd blijven. Als er menselijk materiaal in terecht komt, blijft dit goed bewaard en kan er zo een ‘veenlijk’ blijven bestaan (Gearey & Chapman, 2023). Zo ook met het Meisje van Yde: ze is in een moerasgebied terecht gekomen dat veen geworden is, waardoor ze bewaard gebleven is in tegenstelling tot veel van haar tijdsgenoten. Dat niet alle veenlijken geheel zijn geconserveerd komt vaak door de toestand waarin zich het lijk in het veen bevond, zoals de diepte en de zuurtegraad (van Beek et al., 2023).

Welk onderzoek is er gedaan naar het Meisje van Yde?

Doordat sommige veenlijken zo goed bewaard zijn gebleven valt er interessant onderzoek naar te doen, al zijn daar recentelijk pas de juiste ontwikkelingen voor geweest. Tegenwoordig is een groot aantal veenlijken al onderzocht en ook naar het Meisje van Yde is veel onderzoek gedaan. Dit werd soms bemoeilijkt omdat de lijken niet voorzichtig zijn geborgen. Zo heeft het Meisje van Yde gaten in het lichaam, waarvan het moeilijk is na te gaan of dat rondom haar dood is gebeurt of dat het
door de baggerbeugel komt. Ook missen verschillende botten, welke óf zijn vergaan, óf nooit opgevist, óf meegenomen door nieuwsgierige omstanders. Ook andere lijken zijn niet compleet of erg ingedroogd, wat onderzoek bemoeilijkt.

Eén van de eerste bevindingen over het Meisje van Yde vinden we in de brief van Aalfs naar Joosting. Daarin schrijft hij dat het vermoedelijk om een vrouw gaat, gebaseerd op de fijne beenderen van het skelet (Joosting, 1902). Tegenwoordig weten we dat zijn conclusie klopte, zijn argumenten waren echter vrij subjectief. Na haar vondst wordt ze overgebracht naar het Drents Museum waar Jan Joosting als archivaris de staat van het lijk en de mogelijke doodsoorzaken beschrijft, maar niets noemt over geslacht of leeftijd. Hij schat de ouderdom op 200-400AD, na vergelijking met onderzoek door Johanna Mestorf naar 30 veenlijken. Daarna komt het meisje in een vitrine in het museum. Daar wordt ze veelvuldig bezocht door het publiek, maar er wordt lange tijd geen onderzoek meer naar haar gedaan (Joosting, 1902). Dit komt doordat er nog maar weinig technieken waren om veenlijken verder te onderzoeken. Men wist eenvoudig niet wat er allemaal nog meer kon worden uitgezocht.

Pas 50 jaar later, in 1955, wordt er verder onderzoek naar het meisje gedaan. De oudheid van het meisje wordt bepaald met behulp van stuifmeelkorrels8 die in veen dat aan het veenlijk zat, gevonden zijn. Deze datering komt overeen met die van Joosting, gezien de conclusie dat het lijk tussen 200 – 500 na Chr. in het veen terechtgekomen moet zijn (van der Sanden, 1994). Deze datering is echter niet heel betrouwbaar omdat het veen ook stuifmeelkorrels uit andere tijden zou kunnen bevatten. Daarom wordt de ouderdom in 1988 nog eens met een heel andere methode onderzocht. Er zijn nieuwe technieken gekomen om het menselijk lichaam te onderzoeken, en men begint deze rond deze tijd ook toe te passen op veenlijken9. Daarom wordt in 1987 een wetenschappelijk team opgezet onder leiding van Wijnand van der Sanden (1953), om onderzoek te doen naar het meisje van Yde. Zo wordt in 1988 de radioactieve koolstof (C14) methode10 gebruikt om de oudheid van het meisje te bepalen. De methode bestond al ongeveer 45 jaar, maar is sterk verbeterd waardoor C14-jaren kunnen worden omgerekend naar echte jaren, en ook hele kleine monsters kunnen worden gedateerd. Daardoor kan een klein stukje huid van het veenlijk worden opgestuurd naar Oxford, en daar gedateerd met behulp van een massaspectrometer, met als uitkomst dat het Meisje leefde rond 54 v.Chr. – 128 na Chr. (van der Sanden, 1994). Dit is een stukje eerder dan genoemde dateringen, maar wel rond dezelfde tijd.

Uit verschillende brieven blijkt dat men in 1897 al dacht dat het om een jonge vrouw ging11. Echter wordt dat pas door deze onderzoeksgroep bevestigd. Door de aanwezigheid van borsten en de verhoudingen van verschillende botten wordt bevestigd dat het inderdaad om het lichaam van een vrouw gaat. De aansluitingen van botten laten zien dat de vrouw rond haar overlijden ongeveer 16 jaar oud was. Dit wordt in 1993 bevestigd door middel van CT-scans, waardoor de staat van het
gebit kan worden gebruikt om de leeftijd te bepalen (van der Sanden, 1994). Door deze CT-scans en nieuwe röntgenopnamen wordt ook een kromming in de ruggenwervel gezien, die duidt dat het meisje scoliose had. Asymmetrische botten en een verdikking van haar voet wijzen erop dat ze daardoor ook een beetje scheef gelopen heeft. Door de opnamen kan ook haar oorspronkelijke lengte worden geschat op ongeveer 140 cm, en met bekende gemiddeldes vergeleken worden.
Heden zou ze erg klein geweest zijn voor haar leeftijd, maar na vergelijking met ander onderzoek blijkt dat dat in die tijd wel meeviel (van der Sanden, 1994).

Verder worden haar vinger en voetafdrukken genomen en het bandje dat ze om de hals had en haar mantel worden aan onderzoek ontworpen. Ook de haren van het meisje zijn microscopisch onderzocht. Waar de kleur nu een oranje gloed heeft door het veen zijn ze ooit waarschijnlijk blond geweest (van der Sanden, 1994).

Het meisje raakt begin 1994 pas echt bekend onder het publiek, wanneer er een
gezichtsreconstructie wordt gedaan door Richard Neave (1936) aan de Universiteit van Manchester, die eerder al verschillende gezichten met succes reconstrueerde12. Met behulp van nieuwe, nauwkeurigere CT-scans wordt de vorm van de schedel geconstrueerd en daarna uit kunststof gesneden, waarna deze met klei werd bekleed13. Hiervan wordt daarna door de Londense Julie Wright een wassen versie van het hoofd gemaakt, welke tentoongesteld wordt in het Drents Museum (afb. 1).

Zoals we in dit stuk hebben gezien werd er gedurende de 20e eeuw vooral veel onderzoek gedaan naar de gevonden materialen zelf. Hierin gaat het om veenlijken, maar ook om houten paden en andere materialen (van Beek et al., 2019). Er werd de afgelopen decennia dus gedegen forensisch onderzoek gedaan, maar sommige andere aspecten, zoals het landschap waarin de materialen waren gevonden, werden niet echt onderzocht (Chapman, 2015). Dat komt mogelijk door een bepaalde mate van onderzoeksbias14 en door de keuze van wetenschappers om alleen een
bepaalde regio, tijdperk of soort vindplek te bestuderen (van Beek et al., 2023). Begin 21e eeuw worden er daarom meer overkoepelende onderzoeken gedaan. Hierbij wordt data van verschillende vondsten door heel Europa vergeleken, wat mogelijk is door al het voorgaande onderzoek dat er al is gedaan (van Beek et al., 2023). Ook worden verschillende disciplines en vakgebieden gecombineerd en is daardoor meer te zeggen over de fysieke en culturele context van een vondst (van Beek et al., 2019). Door de data van verschillende vondsten en plekken te combineren kunnen we onderzoek doen naar motieven en sociale veranderingen zoals verandering van de bevolkingsdichtheid en migratie naar andere streken (van Beek et al., 2023).

Wat vertelt het Meisje van Yde ons over het verleden?

Door alle onderzoeken die er zijn geweest zijn we veel te weten gekomen over veenlijken zoals het Meisje van Yde, maar ook over hun omgeving in hun tijd. We kunnen nu bijvoorbeeld aan de hand van CT-scans meer leren over hun sekse, bouw van het lichaam en leeftijd, en doormiddel van C14-datering over wanneer ze ongeveer hebben geleefd.

Soms weten we ook iets over wat ze hebben gegeten of wat ze hebben meegemaakt. Vermoedelijk zijn veel van de veenlijken het slachtoffer van een ongeval of van (zelf)moord (van Beek et al., 2023). In de geschriften van de Romeinse historicus Tacticus (ca.56-117) vinden we terug dat bepaalde Germaanse stammen een harde vorm van rechtspraak hadden, waarbij er soms iemand werd gedood. Ook omschrijft hij vormen van rituele offering bij heilige rivieren, waarbij soms menselijke offers werden gebracht (Tacticus, vert. Rivers, 1999). Vondsten van dolken en andere
kostbare voorwerpen in voormalige moerasgebieden wijzen erop dat hier godsdienstige rituelen hebben plaatsgevonden (Giles, 2021). Dit zou ook kunnen zijn gebeurt met het Meisje van Yde, dat een wurgkoord om haar hals had (van der Sanden, 1994). Wel is het vaak moeilijk om een onderscheid te maken tussen slachtoffers van rituelen of ‘gewone’ moorden. Dat komt doordat er weinig extra aanwijzingen gevonden worden rondom de vindplaats, mogelijk omdat deze vergaan zijn (van Beek et al., 2023).

Ook over de omgeving in die tijd komen we meer te weten. In 1994 wordt voor het eerst onderzoek gedaan naar de vindplaats van het Meisje van Yde. Aan de hand van oude kaarten worden gegevens verzameld en er worden boringen gedaan op de plek van het veentje (Bandel et al., 1995). Een onderzoek op dezelfde plaats wijst door pollenonderzoek uit dat er weinig water heeft gestroomd rond de tijd van het Meisje van Yde, maar dat het wel moerasgebied is geweest (Bottema, 1995). Nieuw onderzoek in 2019 door van Beek et al. bevestigt dit. Door pollen worden sporen gevonden van een open vegetatie van wisselend moeras, hei en grasgebied met
verschillende bomen en struiken. Ook zijn er duidelijke sporen van bewoning van het gebied. Gezien de kleine nederzettingen en het ontbreken van dure vondsten wordt ervan uitgegaan dat de bewoners op gelijke voet samenleefden, zonder een vorm van hiërarchie (van Beek et al., 2019).

Aangenomen wordt dat het meisje uit een nederzetting ten noordoosten van het veentje komt, op nog geen kilometer afstand. In geval van een terechtstelling of ritueel offer is dit waarschijnlijk door haar eigen dorpsgenoten gebeurd (van Beek et al., 2019). Nog niet kon worden vastgesteld of het meisje daadwerkelijk uit de streek afkomstig is, of dat zij mogelijk heeft gereisd. Een dergelijke ontdekking werd gedaan bij Deense veenlijken. Bij de Vrouw van Haraldskær werd ontdekt dat zij voor haar dood een lange afstand heeft afgelegd, door onderzoek naar haar kleding
en chemische analyse van strontium isotopen (Frei et al., 2015) En ook bij de Skrydstrup Vrouw werd daarmee aangetoond dat ze tussen haar 14e en 17e levensjaar verhuisd is naar een gebied in Denemarken (Frei et al., 2017). Eenzelfde studie op het Meisje van Yde zou erg interessant zijn om meer te leren over het sociaal contact van de mensen in die tijd.

Wat is de waarde van het Meisje van Yde en andere veenlijken voor ons vandaag?

In de tijd dat er veel veen werd gestoken en er af en toe een veenlijk werd gevonden, was dit een heel gebeuren. Men vond het spannend vanwege het mysterieuze dat eromheen hing, maar toch waren mensen ook nieuwsgierig. Dat blijkt uit verhalen en uit de ontvreemding van materialen zoals bij het Meisje van Yde. Ook uit bepaalde brieven en kranten blijkt deze ‘nieuwsgierigheid’. Vaak kwam een vondst in de krant waarna mensen kwamen kijken op de plek van de vondst of in het museum (Joosting, 1902; van der Sanden, 1994).

Ondanks de sensatie begreep men in die tijd nog niet de werkelijke waarde van de lijken. De berging van een lijk gebeurde vaak door arbeiders, zonder geschikt gereedschap of kennis. Eenzelfde soort ‘nonchalante houding’ is terug te zien in het onderzoek naar de Tollund man: hij werd in stukken gezaagd en verspreid voor het onderzoek, waarna delen van het lichaam vermist raakten (Museum Silkeborg, geraadpleegd op 29-10-2024). Die houding is langzaam veranderd, vooral nu onderzoek steeds breder wordt, begrijpt men beter waarom deze vondsten belangrijk zijn en dat we er voorzichtig mee om moeten gaan. De opgravingen van de wierde in Ezinge bijvoorbeeld werden zorgvuldig uitgevoerd onder toeziend oog van de vermaarde archeoloog A.G. van Giffen (1884-1973). Hij zorgde voor een goed verloop van de opgravingen en deed spectaculaire vondsten (von Hebel, 19-12-2020). Toch gaat het soms nog mis, zoals bij de onzorgvuldige berging van de Ötzi-man in 1991 in de Oostenrijks-Italiaanse Alpen. Er bleek veel onnodige schade toegebracht te zijn aan de vondst, daar had men achteraf veel voorzichtiger mee
willen omspringen (Willems, 17-09-2011).

Ondanks de relevantie van het onderzoek, blijft het verhaal en het geheimzinnige sfeer rondom de veenlijken het publiek nog altijd het meeste aanspreken. Al in het begin waren de bezoekerscijfers van het Drents Museum erg hoog, doordat iedereen de veenlijken wilde zien. En nog steeds komen er bezoekers naar het Drents Museum toe om de veenlijken te bekijken als deze zijn tentoongesteld. In 2023 kwamen er zo’n 180.000 bezoekers naar het museum, met een gemiddelde van 1500 mensen per dag. Niet tijdens alle tentoonstellingen zijn de lijken te bekijken, maar het bezoekersaantal geeft wel een beeld van de interesse.

Ook in 1994 bij de gezichtsreconstructie van het Meisje van Yde kwam dit breed onder de aandacht van het publiek, waar het dorpje Yde dankbaar gebruik van maakte. Er werd zelfs een wedstrijd gehouden waarbij meisjes werden gezocht die leken op het Meisje van Yde. Daarnaast werden er boeken over haar geschreven en kwamen er toneelstukken. De openluchttheatervoorstelling die in 2018 in Yde gehouden werd was helemaal uitverkocht, er kwamen meer dan vierduizend bezoekers op af (Timmer, 2018).

Het duidelijkst wordt de emotionele waarde van de Veenlijken misschien wel zichtbaar in de gedenkplekken die er worden opgericht. Voor het Meisje van Yde komt in 2010 een monument, vlakbij de vindplaats. Het kunstwerk bestaat uit een labyrint van zwerfkeien met in het midden een gedenksteen (Wind, 2010). De kosten voor het kunstwerk en het fietspad ernaartoe bedroegen twee ton (RTV Noord, 2010). De Historische Vereniging Yde deed een duit in het zakje, door een nieuwe naam voor het Meisje aan te dragen, zij willen haar graag de oud-Drentse naam ‘Annigje’ geven (Dagblad van het Noorden, 2011).

Van de vinders van het Meisje van Yde waren er grafstenen op de begraafplaats in Vries, maar deze werden geruimd. Mede door de ophef dat hierover ontstond, werd pasgeleden ook voor de vinders een gedenkplek opgericht. De steen heeft een QR-code die voorbijgangers kunnen scannen om het verhaal van Hendrik Barkhof en Willem Emmens te lezen (Bekhuis, 2022).

Conclusie

De veenlijken en de studies ernaar helpen ons om een beter beeld te krijgen van het verleden, maar door de geschiedenis hebben ze ook veel emotionele waarde voor ons. Zonder deze lichamen zouden we veel minder weten over de mensen, het landschap waarin ze leefden en de sociale structuren die ze waarschijnlijk gehad hebben. Doordat conservatie van veenlijken onbewust heeft plaatsgevonden krijgen we een beter beeld over het leven van een doorsnee mens uit die periode. Over de sociologische verbanden in die tijd zou meer onderzoek zelfs nog meer opheldering kunnen verschaffen. Zoals blijkt uit de recente geschiedenis komen er telkens nieuwe
onderzoekstechnieken bij die ons in staat stellen meer te achterhalen. Het is belangrijk om ook vandaag de dag voorzichtig om te gaan met historische vondsten die we momenteel nog niet goed kunnen analyseren. In de toekomst komen er misschien nog nieuwere en betere technieken waar we ons nu nog geen voorstelling van kunnen maken. Daarom zijn deze veenlijken van grote waarde voor ons vandaag de dag: door hen komen wij meer te weten over het leven van 2000 jaar geleden.


Voetnoten

  • 1. Dit ‘grondgebied’ heette in die tijd de ‘marke’. Het woord ‘marke’ heeft de oorspronkelijke betekenis van ‘grens’ maar betekend ook ‘gebied’, ‘district’ en wordt ook vaak bedoeld als buurtschapsterritorium (Gosses, 1941, p. 84). Volgens het Drentse landrecht waren alleen degenen, die een ‘vul vierendeel waardeels’ hadden, tot het gebruik van de marke gerechtigd (Gosses, 1941, p. 91). De marke was dus het gezamenlijk eigendom van buren, die samen zorgen voor het beheer van de marke, en hiervan leefden (Lunsingh Meijer, 1934, pp. 22-32).
  • 2. J.G.C. Joosting was archivaris van het Drents museum en van 1913-1928 voorzitter van het Historisch Genootschap Groningen (Groninger Archieven). Hij had veel kennis over de (rechts)geschiedenis van Drenthe, wat blijkt uit zijn positie als archivaris en uit verschillende historische boeken die hij geschreven heeft, zoals ‘De archieven der elkander vóór 1814 opgevolgde gewestelijke besturen van Drente’ en ‘De archieven van den Etstoel en van de hem opgevolgde collegiën tot 1811’.
  • 3. De vindplaats die door Joosting wordt aangeduid, is een logische plek voor de vondst in het veen. Er is veel onderzoek naar gedaan en er is, zover bekend, geen wetenschappelijk bewijs dat het meisje op een ándere plek zou zijn gevonden. Toch wordt de vindplaats soms in twijfel getrokken door omstanders, zie ook voetnoot 4.
  • 4. De omschreven toedracht en plaats van de vondst werd de afgelopen decennia in twijfel getrokken. In verschillende teksten op populaire websites als Wikipedia wordt genoemd dat in mei 2006 bekend geworden is dat het meisje op een andere plek gevonden werd. Er wordt gesuggereerd dat men dit weet op basis van getuigenverklaringen van nazaten van de vinders, die het verhaal lang geheim hebben gehouden. De vinders zouden illegaal op andermans marke turf hebebn gebaggerd toen ze het meisje vonden en uit angst op betrapping haar op een andere plek hebben verstopt. Over deze beweringen en aannames heb ik geen krantenartikelen of verdere informatie kunnen vinden. De vondst van verschillende losse stukken en ook een deel van een eikenstam op de vermeende vindplek in tegenwoordigheid van burgemeester Aalfs (Joosting, 1902) spreekt dit wellicht tegen. Ook werd op 19 maart 2009 in het Dagblad van het Noorden gepubliceerd dat een man uit Zuidlaren, Piet Bennink, een oud opstel van zijn vader zou hebben gevonden. Volgens Bennink was zijn toen 12-jarige vader het buurjongetje van één van de turfstekers, en was hij erbij toen zij op de dag van de vondst het verhaal kwamen vertellen, waarna hij er de volgende dag een opstel over schreef. Uit het verhaal zou blijken dat het lijk op een andere plek door hen gevonden is (Wind, 2009). Op 30 maart 2009, wordt echter nog een artikel gepubliceerd, omdat uit onderzoek door historicus Wijnand van der Sanden blijkt dat het opstel minstens 60 jaar na de vondst pas geschreven kan zijn. Dit concludeert hij onder andere doordat het woord ‘pingo’ wordt aangehaald, dat pas vanaf 1955 in Nederland wordt gebruikt. Daardoor heeft het opstel wetenschappelijk gezien geen waarde (Wind, 2009). We kunnen dus niks met zekerheid over de vindplaats zeggen, maar er is al veel onderzoek gedaan naar de vindplaats, onder andere door Van der Sanden in 1990. Dit onderzoek heb ik niet kunnen lezen gezien het boek hiervan helaas was uitgeleend bij de bibliotheek en verder niet beschikbaar was. Gezien de kans zeer groot is dat onderzoekers de juiste plek in kaart hebben gebracht ga ik hier dan ook vanuit in dit essay.
  • 5. In zijn brief op 22 mei 1897 schrijft Aalfs aan Joosting: ‘…dat het lijk al vele jaren aldaar gelegen moet hebben omdat het in weer hard geworden veen verborgen lag…’ (Joosting, 1902).
  • 6. In de krant van 15 mei 1897 staat in het bericht over de vondst geschreven: ‘Daar voorwerpen in veen niet dan hoogst langzaam vergaan, kan genoemd lichaam wel al menig dozijn jaren in ’t veen hebben gezeten.’ (Provinciale Drentsche en Asser Courant, 1897).
  • 7. Hoogveen is het soort veen waarin het Meisje van Yde gevonden werd (van Beek, et al., 2019).
  • 8. De studie van stuifmeelkorrels (pollen) heet ‘palynologie’. Stuifmeelkorrels zijn microscopisch klein maar verschillen erg in vorm en kunnen daardoor, mits goed geconserveerd, tot op het geslacht nauwkeurig gedetermineerd worden. Doordat de vegetatiegeschiedenis van Nederland na de laatste ijstijd goed bekend is kan een sample redelijk goed gedateerd worden (van der Sanden, 1994).
  • 9. Andere bekende onderzoeken zijn bijvoorbeeld die in Denemarken naar de ‘Man van Tollund’ en in Engeland naar de ‘Lindowman’.
  • 10. Met de C14-methode wordt bepaald hoeveel radioactieve koolstof (C14) er nog in een dood organisme aanwezig is. C14 wordt uit de atmosfeer opgenomen door planten en komt door plantaardig voedsel daarna ook in mensen terecht. Als een mens sterft, wordt geen C14 meer opgenomen, maar neemt door radioactief verval de hoeveel af. Doordat men weet hoe snel dit gebeurt, kan men berekenen hoeveel jaar geleden een organisme ongeveer is gestorven (van der Sanden, 1994).
  • 11. Dat ze dachten dat het om een jonge vrouw ging, blijkt bijvoorbeeld uit de brief van Aalfs naar Joosting (Joosting, 1902), maar ook uit een brief die het tienjarige schoolmeisje Bertha aan haar ouders in Amersfoort schreef, nadat ze het lijk in het museum had gezien. Ze schreef onder andere ‘…u weet zeker dat er een meisje in het veen is opgehaald. Dat kind lag in het museum in een glazen kast…’. (Deze brief zelf heb ik niet kunnen achterhalen, maar foto’s en citaten zijn in meerdere werken te vinden, onder andere in van der Sanden (1994)).
  • 12. Richard Neave heeft voor de politie van een aantal lichamen gezichtsreconstructies gemaakt, waarna slachtoffers geïdentificeerd konden worden. Ook heeft hij reconstructies gemaakt van verschillende mensen uit de oudheid zoals Phillippus II van Macedonië, koning Midas, verschillende Egyptische en Myceense mensen en ook van het veenlijk ‘Man van Lindow’ (van der Sanden, 1994).
  • 13. De dikte van de zachte weefsels bepaalde Neave op basis van gemiddelden van metingen bij mensen uit de twintigste eeuw (van der Sanden, 1994).
  • 14. Met ‘onderzoeksbias’ wordt hier de beïnvloeding van het onderzoek door externe factoren bedoeld. Die externe factoren zijn de omstandigheden waarin de gevonden materialen zijn bewaard gebleven en worden bewaard. De staat en de mogelijkheid van onderzoek van een voorwerp hangt erg af van de omstandigheden in het veen en de conservering daarna.

Bibliografie

Bandel, J., Brennan, A., Halice, H., Meulen, K. v., Nicolay, J., Rooke, M., Wiggers, M. (1995). Speurtocht naar de vindplaats van ‘het Meisje van Yde’ (Dr). Paleo Aktueel – Archeologie in 1994, pp. 94-95.

Bekhuis, S. (2022, 13 mei). Gedenkplek vinders Meisje van Yde. Dagblad van het Noorden, p. 18.

Bottema, S. (1995). Het ontstaan van het veentje van het Meisje van Yde (Dr.). Paleo-Aktueel Archeologie in 1994, pp. 96-98.

Chapman, H. (2015). The landscape archaeology of bog bodies. Journal of Wetland Archaeology, 15(1), pp. 109-121. DOI:10.1080/14732971.2015.1112592

Dagblad van het Noorden. (2011, april 22). Meisje van Yde tot Annigje gedoopt.

Drents Museum – collectie glasnegatieven. (sd). Het veenlijk van het Meisje van Yde,
tentoongesteld in een vitrine in het Drentse Museum voor Oudheden. [glasnegatief].

Frei, K. M., Mannering, U., Price, T. D., & Iversen, R. B. (2015). Strontium isotope investigations of the Haraldskær Woman – a complex record of various tissues. ArchéoSciences, 39, 93 https://doi.org/10.4000/archeosciences.4407

Frei, K.M., Villa, C., Jørkov, M., Allentoft, M., Kaul, F., Ethelberg, P., & al., e. (2017). A matter of months: High precision migration chronology of a Bronze Age female. PLoS ONE, 12(6). https://doi.org/10.1371/journal.pone.0178834

Gearey, B., & Chapman, H. (2023). An introduction to formation processes and ecology of peatlands. In An Introduction to Peatland Archaeology and Palaeoenvironments (Vol. 6, pp. 1-24). Oxbow Books.

Giles, M. (2021). Bog bodies: Face to face with the past. Manchester: Manchester University Press. https://doi.org/10.7765/9781526150196

Gosses, Dr. I.H. (1941). De organisatie van bestuur en rechtspraak in de lanschap Drente (tot den tijd der republiek). Groningen: J.B. Wolters Uitgevers-Maatschappij.

Groninger Archieven. (1917). Landschapskaart Vries – 1917. [landschapskaart]

Joosting, J. C. G. (1902). Een Germanenlijk. Bijdragen tot de kennis van de provincie Groningen en omgelegen streken, pp. 94-116.

Los, P. L. (1996). Dood meisje en andere verhalen. Goes: Oosterbaan & Le Cointre.

Lunsingh Meijer, D. (1934). De Rechtspositie van de Eigenerfden in Drenthe. Assen: Van Gorcum & Comp. N.V. Uitgevers.

Neave, R., & Wright, J. (1994). Gezichtsreconstructie Meisje van Yde. [foto van wassen beeld] Collectie Drents Museum, Assen.

Provinciale Drentsche en Asser Courant. (1897, mei 15). Vondst meisje van Yde, 74(113), p. 3.

RTV Noord. (2010, juni 10). Kunstwerk vindplaats Meisje van Yde.

Tacticus, P. C. (1999). The origins and geographical situation of the germani. (J.B Rivers, Vert.) Oxford University Press.

Timmer, R. (2018, mei 12). Hele dorp in ban van ‘Meisje van Yde’. Dagblad van het Noorden, p.22.

van Beek, R., Quik, C., Bergerbrant, S., Huisman, F., Kama, P. (2023). Bogs, bones and bodies: the deposition of human remains in northern European mires (9000 BC–AD 1900). Antiquity, 97(391), pp. 120-140. https://doi.org/10.15184/aqy.2022.163

van Beek, R., Candel, J., Quik, C., Bos, J., Gouw-Bouman, M., Maas, B., & Makaske, G. (2019). The landscape setting of bog bodies: Interdisciplinary research into the site location of Yde Girl, The Netherlands. The Holocene, 29(7), pp. 1206-1222. DOI:
10.1177/0959683619838048

van Beek, R., Maas, G., van den Berg, E. (2015). Home turf: an interdisciplinary exploration of the long-term development, use and reclamation of raised bogs in the Netherlands. Landscape History, 36(2), pp. 5-34. DOI:10.1080/01433768.2015.1108024

van der Sanden, W. (1994). Het meisje van Yde. Assen: Drents Museum.

von Hebel, F. (19-12-2020). Een eeuw speuren in de grond. Leeuwarder Courant, pp. 22-23.

Willems, H. (17-09-2011). Ijsman Ötzi. Leeuwarder Courant, p. 18.

Wind, M. (2009, maart 30). Opstel over meisje van Yde niet uit 1897. Dagblad van het Noorden, p. 10.

Wind, M. (2009, maart 19). Opstel uit 1897 werpt nieuw licht op veenlijk. Dagblad van het Noorden, p. 3.

Wind, M. (2010, juni 15). Vindplaats Meisje van Yde straks voor iedereen bereikbaar. Dagblad van het Noorden, p. 30.

Leave a comment